Tranen

Vandaag wordt geen goede dag. Er zijn dagen dat je dat al weet op het moment dat je wakker wordt. Een zeurende hoofdpijn, later dan gewenst en nog meer dan twintig kilometer te gaan. Het is al warm op het moment dat ik begin te lopen.

image

De eerste kilometers gaan nog wel daarna wordt het te warm. De hoofdpijn is ondertussen stevig, ik verdraag de hitte slecht de laatste dagen. Veel rusten waar schaduw is, korte stukjes lopen. Twaalf uur een viaduct biedt schaduw, ik ben kapot, kan en wil voorlopig niet verder.

Viaduct is misschien te veel gezegd, het is een boerenweg onder een gravelweg door, bij iedere overrijdende auto valt gravel en modder, door de kieren van de balken, naar beneden. Op het zand spreidt ik de slaapmat en val in een onrustige vaak onderbroken slaap. Zelfs hier in de schaduw is het me te warm. Zin in eten heb ik niet, ik dwing me wat noten en een blikje sardines te eten.

Ik voel me ziek, hoofdpijn en misselijk, verlang naar een koele ruimte, naar een bed waar het niet gravel en modder regent, naar een troostend woord, een aai en de verzekering dat het allemaal wel weer goed komt. Het gemis is pijnlijker dan al het fysieke ongemak en plotseling, overweldigd door zelfmedelijden, barst ik voor het eerst dit millenium, in een onbedaarlijk snikken uit. Tranen branden in de ogen, stromen over stoffige wangen, druppen in het mulle zand.

Zal een fraai beeld zijn, een man met een hoedje huilend onder een viaduct op een veel te warme zomerdag. Alles gaat voorbij, ook het zelfmedelijden, nog wat slapen, drinken en eten en wachten op de avond.

Tegen zeven uur begint het iets af te koelen, ik wil hier niet blijven, pak de rugzak in en vertrek om halfacht. Nog steeds beroerd wandel ik door tot negen uur, nog elf kilometer tot Glenrock, morgen moet ik dat halen, de waterflessen zijn bijna leeg.

This entry was posted in Uncategorized and tagged , . Bookmark the permalink.